|
An article which was published in PCM a while ago.
Bij wijze van parodie produceerde Maciej Ceglowski in augustus 2004 zijn ‘Audioblogging Manifesto’ . Deze podcast bevat geen lofzang op dit momenteel populaire fenomeen, waarbij enthousiaste amateurs radiouitzendingen op MP3-formaat maken. Nee, Ceglowski vertelt een enorm slaapverwekkend verhaal. Aan het eind verwijst hij naar een website. Daar staat dezelfde tekst, die op het scherm veel vlotter leest. Ceglowski wil maar zeggen: podcasts zijn niet geschikt voor ongeduldige mensen. Laat daar nu zo’n beetje het hele internet uit bestaan.
Voor podcasts geldt nog sneller dan voor weblogs dat ze vlot vervelen. Een geoefende lezer kan binnen een paar seconden, of soms zelfs sneller, zien of op een pagina staat wat hij zoekt. Maar mensen die nog chocola kunnen maken van een podcast die op twintigvoudige snelheid wordt afgespeeld, zijn uiterst zeldzaam. Snellezers bestaan, snelluisteraars niet.
Ik durf de voorspelling daarom aan dat het aantal podcasts na de huidige hype fors zal inzinken. Alleen uitzonderlijk goede podcasters zullen overleven. Tuurlijk is het handig om een gemiste uitzending van Radio Online per podcast in de trein te kunnen beluisteren. Maar hoe groot is die groep?
Ja, ook van weblogs is de ondergang voorzegd, en die bestaan nog steeds. Maar deze critici hielden er geen rekening dat zowel het produceren als consumeren van een blog weinig tijd kost. Een slecht blog is (bijna) met één oogopslag te herkennen. Om zeker te weten of een podcast van een uur de moeite waard is, ben je in het ergste geval ook een uur kwijt.
De ideale podcast-consument is iemand die het leuk vindt om lijdzaam te wachten tot er wat interessants voorbij komt. Dat is typisch iets voor oude media als radio en televisie: wij vertellen, u luistert. Deze groep mediaconsumenten wordt steeds kleiner, zoals vele onderzoeken hebben laten zien. En degenen die overblijven, steeds verwender. Ze zijn professioneel geproduceerde televisieprogramma’s gewend, geen mp3’s die klinken als radiohoorspelen uit de jaren vijftig.
Nee, video heeft de toekomst. Deze voorspelling komt van iemand die daar lange tijd zelf niet in geloofde. Internet is immers een consultatiemedium: de gebruiker klikt en verwacht gelijk een antwoord, zonder te hoeven wachten op een sprekende paspop die eerst vier minuten over iets anders praat.
Toch denk ik dat video een belangrijke rol op internet gaat vervullen. De grootste drempel, techniek, brokkelt steeds sneller af. Internetbandbreedte zal binnen een paar jaar geen probleem meer zijn. Professionele opnameapparatuur was lange tijd te duur, maar ook dat verandert. Sony produceert nu al betaalbare HDTV-camera’s; JVC heeft voor de kleinere beurs de GZ-MG50, een apparaat met 30 gigabyte harde schijf. Een handige knutselaar soldeert er zelf een professionele XLR-microfooningang aan vast (of koopt een converter bij Beachtek).
Dan het bewerken van het opgenomen materiaal. Avid, wereldberoemd producent van montagesoftware, geeft tegenwoordig een uitgeklede versie gratis weg onder de naam Avid Free DV. Het is een kwestie van tijd voordat bijvoorbeeld Google een gebruiksvriendelijker variant produceert. Iets soortgelijks deed Google voor fotobewerking met Picasa.
Over Google gesproken: als de acties van deze zoekgigant een indicatie zijn, is de doorbraak van video op internet een kwestie van tijd. Het bedrijf lanceerde eerder dit jaar Google Video, waarmee in beeld kan worden gezocht. Google heeft er belang bij dat zoveel mogelijk beeld gratis beschikbaar zal zijn, anders valt er wel wat te zoeken maar niets te vinden, en gaat de productie daarvan dus zeker aanmoedigen.
Blijft het probleem van de kritische en ongeduldige mediaconsument, die net zo snel zapt als hij een popupvenster wegklikt. Hiervoor zijn twee oplossingen. De eerste is van technische aard en heet metadata. Het is niet zo moeilijk om een videofilmpje in kleine brokjes op te delen en deze fragmenten van een omschrijving te voorzien. Zo valt er alsnog snel in te zoeken en wordt ook video een consultatiemedium. Google Video gebruikt een rudimentaire vergelijkbare techniek.
De tweede is goed leren filmen en monteren. Bioscopen zitten nog altijd vol: wie een goed verhaal kan vertellen, krijgt vanzelf publiek. Slimme podcasters beginnen dus nu vast met oefenen, zodat zij klaar zijn als de techniek dat ook is.
|